![]() |
||||
![]() |
Voordracht | |||
|
Voordracht, gehouden voor het Nederlands Fluitgenootschap
mei 1997. Twintig jaar geleden, op een cursus van het Nederlands Pijpersgilde, zag ik een diaserie over bamboefluitjes die speciaal gemaakt waren voor gehandicapte kinderen. Het was verbazingwekkend welke muzikale mogelijkheden deze vaak zwaar gehandicapte kinderen hadden. Het is de industriele massaproductie die deze groep links laat liggen. Vroeger werden door bouwers wel degelijk speciale instrumenten op bestelling gemaakt. Zo heb ik een fluit van Potter gezien, speciaal gebouwd voor een client met dwerggroei. Deze gedachten droeg ik bij me toe ik instrumentenbouw ging studeren. Na mijn studie zocht ik contact met de mensen die zich bezig hielden met deze aangepaste instrumenten. Er bleek een klubje te bestaan, de SWAM, waar blokfluiten, trommels, synthesizers en andere instrumenten werden aangepast. Kort na de eerste ontmoeting, en na het maken van een paar aanpassingen, maakte ik alle aangepaste blaasinstrumenten voor de SWAM. Momenteel is de SWAM ter ziele en bouw ik als een laatste, maar blije mohikaan allerlei aanpassingen. Het betrof onder meer mensen met spierziekten, allerlei vormen van rheuma, bij geboorte misvormde of ontbrekende ledematen, verlammingen, spasticiteit en traumatisch letsel als gevolg van ongevallen op het werk of in het verkeer. De instrumenten die ik voor hen aanpaste waren onder meer blokfluit, klarinet, saxofoon, en trompet. En enkele dwarsfluiten. Wat mij bij het maken van dwarsfluit-aanpassingen sterk opvalt, is dat de geringste problemen met de bovenste ledematen gelijk enorme problemen oproepen. Het hanteren van de dwarsfluit is slechts mogelijk binnen zeer smalle fysiologische marges, en mede hierdoor is de fluit een van de moeilijkste instrumenten om aan te passen. Wanneer het ontwerpen van vasthoudmogelijkheden en klepsystemen je dagelijks werk wordt, dan ga je al gauw allerlei controlelijsten aanleggen voor de verschillende fasen in ontwerp en bouw. En voor die controles zijn criteria nodig. Het belangrijkste criterium in de ontwikkeling van een klepsysteem is wat ik zou willen noemen het stappencriterium. Tussen het willen gaan spelen van een noot en het feitelijke spelen moeten zo weinig mogelijk stappen liggen. Bij de overgang #C-D gaat dat ongeveer zo, in zeer vereenvoudigde vorm: Op de derde tel moet ik naar D; ik speel nu #C; D is alles dicht met rechterpink vrij; ik moet de kleppen met mijn vingers raken voordat ik de Dis-klep loslaat anders rolt de fluit weg en dat kost me de aanzet van de D. Gelukkig is de hele handeling door oefening geautomatiseerd, anders zou het veel te veel concentratie vergen. Hoe meer vingers iets moeten doen, hoe complexer de acties, hoe meer posities de vingers moeten zoeken en hoe onlogischer de grepentabel ons voorkomt, hoe meer stappen er gedacht moeten worden. De nadelen zijn, dat er veel concentratie verloren gaat aan de besturing van het klepwerk en dat er meer handelingen geautomatiseerd moeten worden bij het leren; het instrument wordt moeilijker om onder de knie te krijgen. Voortreffelijk is het criterium dat Boehm zegt te hebben gebruikt, ik citeer:"een systeem van grepen waarbij alle toonladders, passages en trillers in de vierentwintig toonladders duidelijk, zeker en met het grootste gemak kunnen worden gespeeld". Ditzelfde criterium gebruik ik ook, met als enige wijziging dat ik prioriteit toeken aan bepaalde toonladders. Ik vind voor een beginnende speler C groot iets belangrijker dan Ces groot. Hoewel ik de inzet van de rechterpink als een probleem beschouw vanwege de frequente, contraire beweging van rechterringvinger- en pink, beschouw ik het klepsysteem van Boehm als zeer geslaagd. Als Boehm, bij het beschouwen van de hanteringsproblemen van de fluit dezelfde hoge eisen had gesteld als bij het ontwerpen van het klepsysteem, dan zaten wij hier niet. De fluit is niet als een spelletje bingo dat je zo even doet, het is voor iedereen lastig om te leren. Het gebruik van randvoorwaarden uit de klassieke instrumentenbouw heeft ondermeer een eenhandsblokfluit opgeleverd waarop gehandicapte kinderen even snel blokfluit leren spelen als hun niet-gehandicapte klasgenootjes. Wat zou er gebeuren als je bestaande instrumenten voor niet-gehandicapte spelers zou gaan aanpassen met de criteria uit de aanpasserij? Voor ik hierop verder kan gaan, moeten eerst enkele vragen beantwoord worden. De eerste vraag is dan: heeft het zin? Ik wil op die vraag antwoorden met de vergelijking van de hamer. Wanneer ik een hamer nodig heb, zoek ik de hamer die ik nodig heb. Het gewicht moet juist zijn, de kop moet de juiste bolling hebben en de steel moet niet te kort of te lang zijn en prettig voelen. Alleen met de juiste hamer smeed ik het gewenst resultaat met de minste inspanning. Misschien lukt het uiteindelijk ook met een andere hamer, zij het met meer inspanning en wellicht wordt het resultaat minder fraai. Kun je vanuit een hamer analoog redeneren naar een dwarsfluit? Het antwoord is ja. Ik wil stellen dat elke onnodige inspanning ten koste gaat van het muzikale resultaat. Inspanning en fysiek ongemak gaan beide ten koste van de concentratie. Een deel van de aandacht ebt weg. Vermoeidheid treedt eerder op. Dat betekent dat er voor het spelen van de muziek zelf meer een beroep moet worden gedaan op automatismen, en dat betekent dus meer studeren en minder aandacht voor de muzikale inhoud. Om dit te verduidelijken moet ik u vragen u te verbeelden dat u een stuk muziek speelt op uw dwarsfluit. Uw orkestdirectie heeft in uw contract echter bedongen dat u op een been moet staan onder het spelen. Het zal weinig moeite kosten om u nu voor te stellen hoezeer de uitvoering onder dit schandalige beleid te lijden heeft. Nog een voorbeeld. Een studie heeft aangetoond dat succesvolle concertpianisten een significant grotere hand hebben dan minder succesvolle collega's. Puur fysiologisch speelgemak is bevorderlijk voor muzikaal succes. Zo speelgemak behulpzaam is bij een muzikale carri`ere, zo zal ongemak bij het spelen hinderlijk zijn. Onnodige inspanning en onnodig fysiek ongemak die door een muziekinstrument worden veroorzaakt, remmen dus onnodig de muzikale produktie. En het instrument dat deze vervelende factoren in mindere mate bezit is dus een beter muziekinstrument want je kunt er betere muziek op maken. Was het spelen op een fluit maar slechts ongemakkelijk! Er kan zelfs regelrechte schade veroorzaakt worden. De belangrijkste gevarenzones zijn in dit geval de hoge wervels, de schoudergordel en de polsen. Beklemde zenuwen en peesschede-ontstekingen in deze gebieden liggen op het pad van menig fluitist. Daar wil ik niet over uitwijden, omdat Boni Rietveld u daarover uitgebreid zal inlichten. Een tweede vraag die beantwoord moet worden voordat er allerlei experimenten gedaan worden, is te inventariseren wat er al bestaat. Wellicht zit daar iets van onze gading bij. (demonstratie) Hier ziet u een oude 10-klepper die bijna in moderne stemming staat, en dit is een gewone fluit. Nu houd ik de vingerposities voor de linkerwijsvinger naast elkaar en u ziet dat het blaasgat van de oude fluit een stuk lager zit. Dichter bij die vingerpositie. Het verschilt 3,5cm. In de praktijk betekent dat, dat je minder ver naar rechts hoeft te reiken met de linkerarm, en dat scheelt. Wat gebeurt er als je, zoals Boehm heeft gedaan, de gaten groter maakt? Dan stijgt toonhoogte. Om bij dezelfde toonhoogte toch een veel groter gat te kunnen gebruiken, zijn de gaten lager op de fluit gekomen. Het tegenovergestelde gebeurt bij de fluit met een 180graden bocht in de kop, afgekeken van de basfluit. (demonstratie) Een basfluit met een dergelijke bocht wordt al afgebeeld bij Diderot et l'Alembert. Hoewel de balans van het instrument nogal precair is, is de ergonomische verbetering enorm, en ik beveel deze fluit bij alle kinderen aan. Terug naar de geschiedenis. Door de plaatsing van een mechaniek aan een kant van de fluit deed de fluit naar binnen rollen. (demonstratie) Boehm echter, wierp de crutch in de strijd. Welke noodzakelijk was bij het bespelen van de fluit met open #G. De fluitisten verwierpen echter zowel de open #G als de crutch. Zelf vind ik inderdaad beide ongemakkelijk, hoewel ik de crutch meerdere malen als aanpassing heb aangebracht. De eerste bouwer die dit probleem weer bij de horens heeft gevat is Matti Kahoonen die de rechterhandgroep aan de buitenkant heeft gezet net als bij Boehm's model 2. Door de gewijzigde gewichtsverdeling: meer gewicht aan de buitenkant en minder gewicht aan de binnenkant, wordt het naar binnen rollen van de fluit sterk verminderd. De laatste jaren is er een ander belangwekkende ontwikkeling geweest, namelijk de 30 graden gebogen kop (demonstratie), ontwikkeld door de Amerikaanse arts en fluitist Richard Norris. Deze is reeds commercieel verkrijgbaar, ook voor studiefluiten van het merk Emerson. Het probleem is de instabiliteit. Het aanzetten van de embouchure veroorzaakt een torsie in de fluit: hij gaat draaien. Om dit tegen te gaan is de Stedi-rest uitgevonden, die het mogelijk maakt een dwarsfluit stabiel vast te houden zonder ook maar een klep te beroeren of de embouchure aan te raken (demonstratie). Deze stedi-rest is momenteel niet in produktie maar kan op verzoek gemaakt worden. Ook Hanns Wurz heeft een dergelijke duimsteun ontwikkeld. Helaas interfereert deze wijze van vasthouden sterk met de embouchure. Voor een nauwkeurige aanzet zoek je immers stabiliteit door de lipplaat met een zekere druk aan de lippen te zetten, wat niet echt mogelijk is bij gebrek aan tegendruk. Er is nog een principe dat ik hiet kort wil behandelen: de verticale fluit. In 1888 maakte Carlo Giorgi een fluit die geheel recht werd aangeblazen. Dit instrument wordt vastgehouden zoals een hobo of klarinet. Hoewel het idee aardig was, is er nooit een muzikaal bevredigende Giorgi-fluit gebouwd. Het aanblazen van een Giorgi-fluit gaat nogal krampachtig en elke wijziging in het vasthouden, bijvoorbeeld door een greepwisseling, verstoort de embouchure. Dat geldt ook voor de verticale fluitkop waarmee Stefan Hiby geexperimenteerd heeft. Dat is een fluitkop ongeveer in de vorm van een vraagteken, met de embouchure bovenop. Helaas is een bevredigende oplossing niet uit de bus gekomen. Wat is nu het doel? Aan welke eisen zou een ergonomische dwarsfluit moeten voldoen? In de eerste plaats moet het een goed instrument zijn, met een fraaie klank, zuiver stemmend en met een betrouwbaar mechaniek. Dit moet de eerste eis wel zijn, omdat er anders sprake zou zijn van acheruitgang, en dan is er dus geen winst geboekt. Vervolgens moet het bespeeld kunnen worden in een ontspannen houding, zowel staand als zittend. Alle bij het spelen noodzakelijke bewegingen in het midden van het bereik van de gewrichten vallen. Geen enkele spiergroep mag ononderbroken statisch belast worden. Een handboek ergonomie meldde dat het statisch vasthouden van een gewicht als 5 tot 7x zo vermoeiend werd ervaren door proefpersonen. Het naar vrije wil kunnen wisselen van de spierbelasting maakt het spelen veel prettiger. Ons lichaam is gemaakt om te bewegen, niet om stil te staan. Verdere criteria uit het maken van aangepaste instrumenten zijn: Het gewicht van het instrument moet binnen de handen vallen en makkelijk te controleren zijn. Tenslotte moeten de kleppen zich onder de vingers bevinden. Vanzelfsprekend als dit lijken mag, er wordt hier en daar flink tegen gezondigd in de instrumentenbouw. Het analyseren van vasthoudproblemen gaat vaak beter zonder dan met instrument. Met het instrument in handen gaat een client vaak zoeken naar de kleppen en kromstaan om het aan te kunnen blazen. Een schone lei is dan beter, en de tests doe ik vaak met balkjes hout, ijzerdraad en kurkjes. Je ziet dan meteen welke kant het op moet gaan. (demonstratie flexipijp) Het is duidelijk dat er gebogen moet gaan worden, en wel hoog in de buis. Alvorens verder te gaan met de resultaten van de fluitenbuigerij wil ik iets zeggen over de invloed van bochten in de buis op de klank. Die is zeer gering, en de reden daarvoor is dat luchtdruk zich in alle richtingen in dezelfde mate voortplant: dit heet de wet van Pascal. Als u de staande golf in uw fluit kon zien, dan zag u vanaf een knoop of buik kijkende in alle richtingen hetzelfde. Het resultaat van deze natuurwet is dat bouwers van trompetten, fagotten, saxofoons, ranketten en franse hoorns zoveel bochten in hun instrumenten kunnen leggen als hen blieft. Ook de makers van dwarsfluiten staat dit vrij. Voor de volledigheid moet een klein verhogend effect genoemd worden doordat de golf de neiging heeft bochten iets kort af te steken. Berekeningen hierover heb ik kort geleden in mijn lijfblad FLUIT gepubliceerd en deze berekeningen tonen zeer kleine verstemmingen in de orde van grootte van halve cents. Wat voor de grondtoon geldt, geldt ook voor de boventonen, zodat het totale akoestische effect uiterst gering blijft. Als de bouwer ook nog zo aardig is om in boring en lengte voor dit effect te compenseren, dan staat niets ons in de weg om eens flink te gaan buigen aan onze vertrouwde fluit, in de hoop dat we ergens komen waar we graag willen zijn. Om de reacties op gebogen fluittypen te peilen hebben wij op 2 februari 1995 op de 2e Open Dag van het Nederlands Fluit Genootschap een ergotest gedaan. Wij hadden deze 4 fluitmodellen bij ons: (demonstratie) A heeft een bocht in de kop, B is over de gehele lengte gebogen, C heeft een dubbele bocht in de kop en D heeft een knik bovenaan de body en nog een ter hoogte van de g-klep. Alle modellen zijn voorzien van een lipplaat en plastic ringen die overeenkomen met de posities van de toetsen. Ik gebruik het woord toets omdat het alleen gaat om de elementen waar de vingers iets te doen hebben. Bezoekers van de stand konden alle typen beoordelen met een cijfer van 1 tot 10. 29 Volwassenen en 10 kinderen deden de ergotest. (demonstratie) Op de grafiek ziet u de uitslagen. Kinderen zijn apart weergegeven, omdat mij uit de praktijk van het aanpassen van muziekinstrumenten bekend is, dat kinderen vaak minder bevooroordeeld ten opzichte van afwijkende instrumenten staan. U kunt aan de grafiek ook zien, dat de waardering van de kinderen gemiddeld hoger is dan die der volwassenen, namelijk anderhalve punt. De typen A en C verdienen nadere beschouwing vanwege hun hoge waardering. C verdiende zelfs de enige 10. Type A is de enkelvoudig gebogen kop van Norris, zoals ik reeds besproken heb. Bij type C is enige uitleg nodig. Het uitgangspunt was namelijk, dat de aanpassing niet mocht interfereren met de embouchure. Maar het stond ook buiten kijf dat er gespeeld moest kunnen worden met een nagenoeg rechte hals, dus niet geneigd of gedraaid. De gewenste positie van het corpus van de fluit maakt dus wel degelijk een hoek met de embouchure.Voor de gewenste stabiliteit was het noodzakelijk om de embouchure ondanks de bocht recht in het verlengde van het corpus te plaatsen. (demonstratie pvc pijp). Er is nu dus een model met 2 bochten ontstaan. Een dergelijke kop is al ontwikkeld door Anne Meyer-Schwickerath. Echter, wanneer de fluit in een hoek langs het lichaam wordt gehouden, dan zakt de rechterhand. Als gevolg hiervan draait de rechter bovenarm naar achter (demonstratie). Dit is niet de bedoeling. De rechterhand moet dus naar voren komen en niet zo'n beetje ook. (demonstratie) Er is dus sprake van 2 hoeken die de fluit nu met de embouchure vormt: Een in het horizontale vlak, schuin naar beneden, en een in het verticale vlak, schuin naar voren. Ook de tweede hoek kan met het principe van de twee bochten benaderd worden. Door de hoeken in de twee verschillende vlakken als vectoren op te tellen wordt de voorwaarde bekend waaronder een dergelijke kop gemaakt kan worden. Door deze te combineren met de fysieke beperkingen en de computer het rekenwerk te laten doen ontstaat vervolgens een buigplan. En toen, zo dicht bij de eindstreep, begonnen de problemen. Want de buis moest nog gebogen worden. De details zal ik u, mede uit concurrentie-overwegingen besparen, maar, ik heb meer dan eens gedacht dat het helemaal niet kon. En iedereen die mij adviseerde riep dat mijn wanddikte van 0,33mm veel te dun was om succesvol te kunnen buigen. Met des te meer trots presenteer ik u nu het eerste exemplaar van de Zwanenhals. (demonstratie). Deze fluit heb ik behalve de gemoderniseerde kop ook voorzien van een steuntje voor de rechterduim tegen het naar beneden glijden, maar ik heb al proefpersonen horen zeggen dat ze dit niet nodig hebben. Ook heb ik een Bo-pep handsteun voor de linkerwijsvinger toegevoegd, die het comfort nog verder verhoogt. Het resultaat is een fluit waarop moeiteloos lang achter elkaar gespeeld kan worden, en die zo stabiel ligt als een huis. Nu is de beurt aan fluitiste en Mensendieck-therapeut Marja Mosk om iets te vertellen over de houdings-aspecten van deze fluit. Ik kan me voorstellen, dat u deze fluit zelf uit wilt proberen. Alleen zo kunt u de merites goed beoordelen. Dat kan, maar er is een voorwaarde. Die voorwaarde is dat u de fluitkop voor een hele week probeert. De wijze van vasthouden is zo anders de een gewone fluit, dat het in het begin alleen maar raar aanvoelt, onwennig. Als ik u straks de gelegenheid geef om de fluit even vast te houden, is die indruk van raarheid de indruk die u mee naar huis neemt en die bij u blijft, en dat doet de zwanehals geen recht. Daarom kunt u de fluit straks niet uitproberen, maar wel kunt u intekenen op de uitprobeer-lijst. Voor hun medewerking bij de presentatie wil ik Hans van der Spek van de firma Hakkert, Jaap Frank, en mijn collega Lucas Coltof bedanken. Hiermee wil ik afsluiten. Ik dank u voor uw aandacht. top |
||||
|
home contact route links aanbiedingen bestelpagina leveringsvoorwaarden polls Maarten Visser Karina Erhard Forum (extern) prijzen fluiten opties fluiten accessoires fluitkoppen polsters gebruik microfoon hand en duimsteunen kinderfluiten voor ouders verhuur instellen kromme fluitkop spreekbeurt fluit verzenden onderhoud voor kids reparaties fotoverslag revisie troubleshooting ergonomie aanpassingen zwanenhalskop vertikale kop FAQ aanpassingen artikelen evolutie muziekles voordracht NFG beton downloaden |
||||